Hella de Jonge, De ogen van mijn oma

Hierbij integraal, de tekst van de voordracht van Hella de Jonge, zoals zij die hield bij de opening van onze herfst tentoonstelling 2016

De ogen van mijn oma

Aan een stellingwand in één van de expositieruimtes van de kunstbeurs Tefaf hing een groot schilderij.
Donker, indringend, vooral mooi.
De oogopslag van een treurig kijkende vrouw drong bij mij binnen. Het leek of ik deze afbeelding al heel vaak gezien had.
We vroegen naar de prijs, keken elkaar lachend aan om het exorbitante bedrag en verlieten de stal.
We laafden ons aan de overdadige hoeveelheid kunstobjecten op het enorme beursterrein. Overal stonden rozen langs de route. Bij een champagnebar spoot een fontein gekleurd water in een bak. Maar telkens kwam tijdens de wandeling het beeld van de jonge vrouw met een mandje champignons voor mijn ogen. Voor we besloten naar huis terug te keren volgden we nog eenmaal de route langs de stand van de bewuste galerie om te zien of er al een rode sticker naast de lijst geplakt zat.
In de loop der jaren bleek dat onze smaak bijna altijd overeenkwam. Als hij iets mooi vond of omgekeerd kwam het zelden voor dat we niet gelijkgestemd waren. Samen bleven we gebiologeerd naar het toch wel sombere doek kijken. Nooit eerder hadden we op zo’n prestigieuze beurs kunst aangeschaft. Maar zonder veel overleg besloten we het schilderij van de voor ons tot dan toe onbekende kunstenaar Tinus van Doorn te willen kopen. Het onderhandelen duurde niet lang ook de galeriehouder voelde dat het doek bij ons paste. Na de beurs zou hij het persoonlijk komen afleveren. Om ons alvast op de komst van het schilderij te verheugen kregen we van hem een boek over Tinus van Doorn met reproducties van zijn werk mee en een verslag over zijn korte leven.
Thuis las ik het boek. Enkelen van zijn schilderijen maakten diepe indruk op me.
Een kind met een te groot hoofd op klompjes, aan zijn hand een touwtje met een speelgoedpaardje op wieltjes.
Een somber bos waarin met dunne witte penseelstreken ranke bomen geschilderd waren. De schilder zelf was de hoofdpersoon, een vogel op zijn schouder, zoekend naar vrijheid. Een eekhoorntje aan zijn voeten.
Eekhoorntjes weten wat vrijheid is, moet hij gedacht hebben, die plukken de noten precies op het moment dat ze rijp zijn en verstoppen ze voor dat iemand ze kan pakken. Een zon die opkomt en weer ondergaat.
In het levensverhaal van Tinus werd beschreven dat hij als schilder zich ernstig miskend had gevoeld. In 1938 verhuisde  hij samen met zijn vrouw naar België.
Ons toekomstig schilderij was een portret van deze vrouw in het bos, gekleed in een sjofele jas, mandje met champignons aan haar rechter arm. Op de dag dat in 1940 de Duitsers in Brussel binnenvielen maakte Tinus op vierendertigjarige samen met zijn vrouw een einde aan zijn leven te maken. De dreigende oorlog en het nationaal socialisme wilde hij niet meemaken. Een keuze die door vele radelozen rond 1940 gemaakt werd. Dit verhaal trof me diep, had het doek me daarom zo ontroerd toen we het de eerste keer zagen?
Een aantal dagen later werd het enorme doek bij ons thuis afgeleverd. De galeriehouder boorde persoonlijk de schroef in de muur en hing het op. We waren beiden getroffen door de keuze. Het was of het doek thuis kwam van lang weggeweest.
Dagelijks ging ik ervoor staan en bleef gefascineerd kijken. Terecht had deze schilder zich miskend gevoeld, zijn werk was oogverblindend. Iedere penseelstreek klopte. Het idee dat ik het schilderij kende liet me niet los. Wanneer of waar had ik dat schilderij toch zien hangen? In welk museum? Bij wie thuis?
Opeens wist het, ik had het nooit eerder gezien, maar dat gezicht, die ogen waren sprekend de ogen van mijn oma. Mijn oma die nooit meer dan een schilderij voor mij geweest was. Haar portret hing bij mijn ouders in de woonkamer.
‘Dat was jouw oma, Lientje’ zei mijn moeder herhaaldelijk.
Dan bleef ze staan en keek naar het schilderij en huilde.
Als ik `s morgens terwijl mijn ouders nog sliepen stiekem de trap afging om in de kamer te gaan spelen was de eerste die mij die ochtend aankeek ‘Oma Lientje’.
Haar blik was streng. Het leek of ze tegen mij praatte. Soms verwarde het me, maakte me bang en dan weer voelde ik me veilig door haar aanwezigheid. Haar schilderij was donker, haar haren waren grijs, om haar hals was een ragfijn kanten kraagje geschilderd. Haar ogen spatte van het doek. Treurige ogen. Ogen met een verhaal.
‘Kindje rustig maar, het komt goed.’
En dan speelde ik verder tot mijn moeder binnen kwam en boos op me werd omdat ik te vroeg beneden was. Dan keek ik nogmaals naar het schilderij en leek het of oma me toelachte en fluisterde:
‘Lieverd het is goed, jouw mama is nou eenmaal verdrietig omdat ik haar hand niet kan vasthouden.’
Door het schilderij van die onbekende oma heb ik geleerd naar kunst te kijken. Zij heeft me geleid, ze heeft me aangespoord zelf te gaan tekenen, schilderen, te beeldhouwen. Zij was een tovenares, een kunstenares.
Recent hoorde ik van mijn vader dat het schilderij onvoltooid was. Het was geschilderd door haar stiekeme minnaar, bij wie ze ondergedoken zat. Het kanten kraagje was nooit afgeschilderd. Lientje is verraden en afgevoerd naar Auschwitz. Ze was drieënveertig en helemaal grijs. Haar heimelijke minnaar, de schilder Jan Mulder, kwam in Dachau terecht en heeft zich in leven gehouden door het schilderen van poppetjes op Duits servies.
Dankzij het schilderij van Tinus weet ik weer een beetje meer wie mijn oma was. Oma hangt nu op de een of andere manier ook een beetje bij ons in de kamer.
Als ik nu soms even voor het schilderij stilsta word ik helemaal niet verdrietig, maar blij dat me dit is overkomen en tel de champignons in het mandje.

Gepubliceerd: dinsdag 20 september 2016

Overige nieuwsberichten