Fiona Zondervan
Tentoonstelling: 18 oktober t/m 24 november 2013
Fiona Zondervan (1963) is animalier, oftewel dierenbeeldhouwer. Ze boetseert en hakt in een atelier in Noordhorn, bij Groningen.
‘Ik ben min of meer autodidact. Ik heb wel een half jaar op de academie in Kampen gezeten, maar ik wilde een vak leren, en dat leerde je daar niet. Het was me allemaal te conceptueel. Toen ben ik het zelf gaan uitzoeken: door me in de kunstgeschiedenis te verdiepen, door tentoonstellingen te bezoeken en vooral door heel veel te tekenen en te schilderen. Mensen, aanvankelijk. Op den duur merkte ik dat ik driedimensionaal beter was dan op het platte vlak. In dezelfde periode tekende ik veel in Artis en besloot ik dat ik met dieren verder wilde. De mens is maar één diersoort. Met veel verschillende gezichten, natuurlijk, maar er zijn er nog zo veel meer. Ik val vooral op vogels en zoogdieren.
In boeken en musea ging ik op zoek naar dierenbeeldhouwers. Zo kwam ik Bugatti en Pompon op het spoor, animaliers uit de tijd van Rodin. Die mannen hebben zulke mooie dingen met dieren gedaan, dat was echt een openbaring. Ook in Nederland is er een traditie van beeldhouwers die zich in dieren specialiseerden. Het begint al met Mendes da Costa. Daarna had je Jaap Kaas, die zelfs een atelier had in Artis, en Arie Teeuwisse en Hetty Heyster. Hetty heb ik een tijdje mogen assisteren. Van haar leerde ik boetseren in was, en wat je allemaal moet doen voordat zo’n beeld in brons gegoten kan worden. De dingen die ze me op de academie niet konden leren.
Dieren boetseren leerde ik door het te doen. Een aap is niet zo moeilijk te begrijpen, daar zit een mens in. Koeien en paarden zijn vertrouwd en allemaal wel zo’n beetje verwant. Maar voordat ik eenmaal een giraffe had staan! Met die nek en die lange, dunne benen. Je denkt dat je weet hoe dat zit, tot je zo’n dier probeert te maken. Een giraffe is zó raar van proportie. Je moet echt alle afstanden binnen dat lijf nameten voordat het klopt. Een kangoeroe, ook zoiets. Of een vari: dat is een beestje met heel veel vacht uit Madagascar. Het ziet er beerachtig uit, maar het is een halfaap. Ik had geen idee wat ik daarmee aan moest, tot ik er een keer eentje mocht vasthouden. Toen voelde ik waar de gewrichten zaten, de buigpunten, de spieren. In de eerste jaren heb ik ook vaak skeletten getekend in het zoölogisch museum. Ik wilde dat gewoon heel graag goed kunnen, ik wou weten hoe het zat en hoe het moest.
Het goede van tentoonstellen is, dat je werk ineens op een andere plek staat. Dan kan ik het los zien van wat ikzelf en de bronsgieter ermee hebben gedaan. Op de Realismebeurs stond een bronzen pinguïn van mij. Ik was even met andere dingen bezig, en toen ik daarna weer voorbij dat beeld liep, schoot ik in de lach. Wat een ongelofelijk grappig beest! Het was even mijn beeld niet meer. Ik zag die pinguïn zoals ik ze ook vaak in de dierentuin had zien waggelen, en ik stond echt te lachen om een beestje dat ik zelf had gemaakt.’
Gijsbert van der Wal
